10 N
o jz:
~n q_
11 o
w o
SU co
SU o
3 7T
TT
O CD
3 3
CO
“ï
CD
0
CD
D C Z
"O CD ®
su sä 2.
S» J= CD
«■ ™ ®
c CD
CD 3
CD
TT
O Q.
CD
|S
3 r+
*- CD
CQ
CD
•-+■ 3
2 r+
r+ O
CD CD
~t N
-* CD
■o 2
SU Q.
— • 3
CO CQ
X <
<
0
0)
■
TI
m
X
r~
m
Ti
m
o
o
0)
C0
CD
£
P
CD
3
3
p
DD
•fMfc- } >1 0 J } S PBBJOOA 9p ßUB| 00^
O
>
70
m
ta o
CL T3
-S
P -
CQ Q.
CD CD
13
D
>
O
>
c/)
o
TV
m>
m
co
i
o
r~
r~
>
Z
o
H
I
m
O
<
>
o
o
CD
CO
DD
C
xj
ß>
Q.
0
C/D
o
TT
7T
0
13
Q.
O
O
“t
Q_
CO
3
0
0
X
X
XI
0
Q_
fD
TT
r4*
co
c
0
13
0
3
C_
o
c
2L
cö"
rHh
0
ZS
0
p
3
iT
o
o
o
u
CL
0
3
P
P
CQ
<
P
3
20 FR. FRANCO THUIS
00
m
5
O
I
—I
c
<
m
m
z
H
o
p
Q.
>
HANS ARP
1.
Wee onze goede Kasper is dood.
Wie draagt nu de brandende vaan en zijn vlechten, wie draait de koffiemolen.
Wie lokt het idyllische ree
op het meer verschalkte hij de schepen met het woordje parapluie en de winden noemden
hem bijenvader,
wee, wee, wee, onze goeie kasper is dood heilige bimbam kasper is dood.
de haaien klepperen de kerkklokken wanneer men zijn voornaam uitspreekt, daarom zucht
ik luide kasper, kasper, kasper.
Waarom ben je een ster geworden of een snoer uit water aan een heeten wervelwind ge
ketend of een uier uit zwart licht of een doorzichtige zegel aan den kreunenden trommel
van het wezen der rotsen.
Nu verdrogen ons schedel en voetzolen en de feëen liggen half verkoold op de mesthoopen.
2.
Nu dondert achter de zon
de zwarte kegelbaan en niemand windt meer het kompas op.
en de raderen der handkarren
wie is thans met de ratten aan de eenzame tafel
wie verjaagt nu den duivel wanneer hij de paarden vervoeren wil
wie ontraadselt ons nu de monogrammen in de sterren
zijn buste zal de schoorsteen van alle waarachtig edele menschen sieren
Maar dat is geen troost en snuiftabak voor een doodskop. (vertaling v. D.)